Gereformeerd Theologisch Tijdschrift 1900-2000 (1)
n.a.v. Wessel Stoker en Henk C. van der Sar (red.), Theologie op de drempel van 2000. Terugblik op 100 jaar Gereformeerd Theologisch Tijdschrift, Kampen 1999
Geschiedenis van het GTT
- In 1900 startte Lucas Lindeboom een tijdschrift met de naam ‘Wat zegt de Schrift?’ en met als ondertitel: ‘Maandblad tot bevordering van het rechte lezen en uitlegen van Gods Woord’. De Bijbel stond in hoog aanzien. Bijbelkritiek, vooral van de kant van vrijzinnige theologen, wordt verworpen. Intussen: de prioriteit ligt niet bij de apologetiek, maar bij de bevordering van een vroomheid, die door de Bijbel wordt gedragen en gevoed. We komen hier in aanraking met het spirituele klimaat, dat voor de Afscheidingstraditie kenmerkend was: gereformeerde vroomheid in de geest van Calvijn met een bevindelijke inslag, maar zonder de lijdelijkheid van wat later genoemd werd ‘de zwarte kousen kerken’.
- Met ingang van de 8e jaargang krijgt het maandblad een andere ondertitel: ‘Gereformeerd Tijschrift’. En de inhoud wordt verbreed. Hiermee wordt een stap gezet in de richting van een theologisch tijdschrift. De medewerkers komen uit de A-kring.
- L. Lindeboom was moedig, nam nooit een blad voor de mond en verdedigde soms standpunten, die in die tijd binnen zijn eigen kring heel progressief waren Zo was hij een warm pleitbezorger van de toekenning van het actieve stemrecht aan de vrouwelijke lidmaten der gemeente. Hij maakte zich ook sterk voor het nieuwtestamentische kerklied naast de psalmbundel.
- Vanaf de 13e jaargang heette het blad Gereformeerd Theologisch Tijdschrift. De redactie werd uitgebreid met VU-leerlingen. B komt nu dus ook aan bod. L. Lindeboom was in heel deze ontwikkeling een sleutelfiguur. Hij besefte dat een theologisch tijdschrift in zijn kring op den duur het hoofd nooit boven water zou kunnen houden zonder de daadwerkelijke belangstelling en steun van de predikanten alsook van de andere ambtsdragers en de kerkenraden. En het is zijn grote verdienste geweest, dat hij er metterdaad in slaagde die steun te verkrijgen. Lindeboom was de ‘stamvader’ van het GTT. Dit is een verrassend feit; het blijft opmerkelijk dat juist hij – en niet bijvoorbeeld iemand als Herman Bavinck – deze rol heeft vervuld. Dat kan alleen verklaard worden uit de voor Lindeboom typerende combinatie van visie en praktische zin, van idealisme en realisme.
- Men kan niet zeggen, dat in het GTT een bepaalde richting of persoon de boventoon gevoerd heeft. Over het geheel genomen kan men zeggen dat het GTT het theologisch en spiritueel leven binnen de gereformeerde kerken weerspiegelde. Met de nieuwe opzet deed ook de kroniek haar intrede. Onder andere J.C. Rullmann, T. Ferwerda, J. Waterink, P. van Dijk, K. Sietsma, J. van den Berg, H.M. Kuitert, G.Th. Rothuizen en Okke Jager hebben met hun kronieken aan het GTT actualiteit en fleur gegeven. De kronieken zijn een uitstekende bron voor de kennis van het gereformeerde leven, als zodanig tot dusver nog te weinig aangeboord!
- Andere gereformeerde tijdschriften waren: De Heraut, De Bazuin, Belijden en Beleven, De Reformatie, Calvinistisch Weekblad, Gereformeerd Weekblad, Centraal Weekblad en Philosophia Reformata. In de ontwikkelingen en woelingen van het gereformeerde leven was het GTT niet een typische trendsetter, maar eerder een registrator en commentator van wat er gaande was. Inhoudelijk gezien het specifieke van het GTT was de theologische reflectie op wat er binnen en buiten de eigen gereformeerde kring leefde. In de eerste plaats het nadenken over de Schrift en de Schriftbeschouwing. Men streefde welbewust naar een eigen gereformeerde visie op het bestaan, het verstaan en het gezag van de Bijbel. In de tweede plaats het nadenken over de eigen positie van de gereformeerde kerken. Schrift en kerk – dat zijn de beide elementen, de beide thema’s, die functioneren als de twee brandpunten van de ellips, die het terrein van het gereformeerde kerkelijke leven vormde. Assen 1926 en de jaren kort voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog waren gewichtige momenten.
- De gereformeerden namen in die tijd goede nota van de moderne positie. Toen sommigen het neo-calvinisme ervan betichtten dat het onder de schijn van handhaving van de oude beginselen in feite tot de nieuwe wereldbeschouwing was overgegaan werden de gereformeerden gedrongen tot nadere verantwoording. Toen iemand zei: ‘Wij, modernen, zijn de mannen van straks!’ stelde het GTT daartegenover: ‘Wij, gereformeerden, gelooven dat onze overtuiging, die ten opzichte van de Schriftbeschouwing diametraal tegenover die der modernen staat, de waarheid is.’
- De jongere generatie van gereformeerden was intensief bezig de wetenschappelijke status te claimen voor een theologiebeoefening vanuit het eigen beginsel. Instructief daarvoor is het artikel van G.Ch. Aalders ‘Kan de Heilige Schrift voorwerp van wetenschappelijk onderzoek zijn voor hem, die zich ook voor mijn wetenschappelijk denken volstrekt aan haar oordeel onderwerpt?’
- Kuypers conceptie van de pluriformiteit stuitte op verzet bij vertegenwoordigers van oud-A. Vooral G. Doekes maakte herhaaldelijk zijn bezwaren kenbaar, bijvoorbeeld zijn artikel met de duidelijke titel ‘Niet de meest zuivere, maar de ware kerk’. De belijdenis spreekt zijns inziens geen onderscheiding van meer of minder zuivere kerken, maar spreekt van de ware kerk in onderscheiding zowel van de valse kerk als van de sekten.
- Algemeen oordeelde men kritisch over de situatie van de Ned.Herv.Kerk en speciaal over hervormde woordvoerders, die vanuit hun eigen kerkelijke positie de gereformeerde kerken op de korrel namen. Intussen bleven de gereformeerden bepaald niet ongevoelig voor het probleem dat in de Ned.Herv.Kerk vele gereformeerden – zo noemde de kerkelijk-gereformeerden hen ook! – achtergebleven waren. Waarom waren zij ook niet lid van de GKN geworden? Ds. C.B. Bavinck (broer van Herman en vader van J.H.) zei daarover: ‘De gereformeerden in de hervormde kerk horen ter plaatste de gereformeerde waarheid van gereformeerde predikers. Verder reikt hun blik niet. Waarom zouden zij dan zulk een kerk verlaten (…) Die oude, massieve, schilderachtige gebouwen (…) zij wekken sterke emoties. Wij, die van jongsaf in de Gereformeerde kerken zijn opgegroeid, wij kennen zulke emoties niet (…) dergelijke emoties (…) spelen vaak een veel grootere rol dan de zuiverste redeneeringen uit beginselen (…) Die gehele Ned.Herv.Kerk is een wonderlijk ding. Men staat er soms versteld van, wat al soorten visschen in dien eenen vijver zwemmen kunnen’.
- Men kan voor de productiviteit van de GTT-mensen alleen maar bewondering hebben. Denk aan de reeks ‘Korte Verklaring’ en de Bottenburg-commentaar op het Nieuwe Testament. Juist omdat zij zo zeker van hun zaak waren, konden ze veel aan. Greijdanus bespreekt telkens de successief verschijnende afleveringen van Kittels Theologische Wörterbuch zum Neuen Testament aan de hand van citaten. Hij las ze kennelijk van a tot z door!
- In het gereformeerde kerkhuis gonsde het van de discussies en polemieken. Waar stond het GTT temidden van al die turbulenties? Enerzijds is men niet blij met de toon van Hepps Dreigende Deformatie, anderzijds had iemand als J. Ridderbos zelf ernstige bedenkingen tegen de meeste opvattingen, die in de vernieuwingsbeweging naar voren kwam.
- K. Sietsma was chroniquer in zware tijden. Hij was een kundig theoloog met een gevoelig hart en een fijne antenne voor wat er in de lucht zat. Zijn zoekende schrijfstijl verraadt, hoezeer hij innerlijk met de problemen van zijn tijd – religieus, kerkelijk, theologisch, cultureel-wetenschappelijk en politiek – bezig was. Al schrijvend probeerde hij steeds door te stoten naar een verheldering, naar een perspectief, naar een oplossing. Daarbij had hij een drievoudige optie: de bedreigde interne eenheid, de relatie tot de Ned.Herv.Kerk of de oecumene en de opdracht van kerk en christen in de situatie van oorlog en bezetting.
- Vanaf 1947 verscheen het GTT niet langer maandelijks maar eenmaal per kwartaal. Gaandeweg ging zich in de tijd daarna inhoudelijk een wending aftekenen. Men wilde bewust gereformeerd zijn en was dat ook. Maar toch veranderde er iets in de attitude. Men zou kunnen zeggen: vroeger keek men door de vensters naar buiten, maar de ramen zelf waren veelszins gesloten. Nu werden de ramen voorzichtig opengezet. De geuren van buiten kwamen het huis binnen. Ook de winden, later zelfs de rukwinden. Dit proces verliep geleidelijk, maar onstuitbaar. Een gewichtige factor in dit proces was de aflossing van de wacht, die in de jaren 1950-1955 plaats greep. Greijdanus was in 1943 al opgevolgd door Herman Ridderbos; daar kwamen nog drie nieuwe exegeten bij: N.H. Ridderbos, R. Schippers en J.L. Koole. In 1950 volgde Berkouwer Hepp op, A.D.R. Polman was de opvolger van Schilder. Al deze mannen hadden een aandeel in het veranderingsproces.
- N.H. Ridderbos bijvoorbeeld ziet het zeven dagen-schema van Genesis 1 als inkleding; het biedt geen informatie over de volgorde der scheppingsdagen. Daarmee bood hij een opening voor het vastgelopen gesprek tussen theologen en beoefenaren van de natuurwetenschappen. N.H. Ridderbos was de opvolger van Aalders. W.H. Gispen had in 1945 Van Gelderen opgevolgd. Tevoren was de oriëntalist-oudtestamenticus Van Gelderen meer ‘strikt’ en die van Aalders meer ‘open’. Gispen volgde in zijn benadering van de vraagstukken het voetspoor van Aalders en stond kritisch tegenover de veranderingen. Intussen was Gispen met zijn spreekwoordelijke humor loyaal ten opzichte van zijn collega’s en in zoverre was ook hij veranderd: zijn tolerantie zou eerst geen haalbare kaart zijn geweest. Gispens opvolger M.J. Mulder spreekt over de vrijheid, die Gispen de ander liet voor de inbrengt van zijn eigen ideeën, over zijn ‘weldadige liberaliteit en gevoel voor de relativiteit van al hetgeen de mens onder de zon doet’. Dit oordeel van Mulder is veelzeggend, omdat hij zelf de kritische methoden overnam en dus een andere weg ging dan zijn voorganger. In Kampen bewandelde J.L. Koole nieuwe wegen.
- In heel deze gang van zaken is de invloed van Herman Ridderbos en van Berkouwer een belangrijke factor geweest. Berkouwer kwam op de weg van continue intensieve bezinning tot een herwaardering van de theologie van Karl Barth en tot een andere kijk op alles, wat met de inspiratie en het gezag van de Bijbel samenhangt. Instructief voor Berkouwers latere visie op de vragen met betrekking tot de omgang met de Bijbel is zijn artikel ‘Non liquet’, waarin hij met Gispen in discussie treedt. In vroeger tijd poogde men gegevens, die als tegenstrijdig werden ervaren, te harmoniseren; lukte dat niet, dan concludeerde men tot een ‘non liquet’, ‘het is niet duidelijk’. Ook Gispen nam daartoe nog zijn toevlucht. Berkouwer zet daar vraagtekens bij. Men hanteert het ‘non liquet’ niet op legitieme wijze wanneer het tot een ‘asylum ignorantiae’ wordt, waarmee men zich problemen van het lijf houdt.
- Heel instructief voor de verschuivingen blijft het debat tussen M.J. Arntzen en Tj. Baarda. Arntzen had met de nieuwe ontwikkelingen grote moeite. Hij uitte zijn bedenkingen in een brochure getiteld De crisis in de gereformeerde kerken (1965). Zij lokte in het GTT een discussie uit tussen hem en Baarda. Het was een faire discussie. Interessant is, dat Baarda met instemming een uitlating van Van der Vaart Smit citeert: ‘Het is zeer te betreuren, dat de ontwikkeling van het gereformeerde leven gedrukt wordt door een conflict als nu in de quaestie-Geelkerken zich over onze kerken heeft uitgebreid. De drang tot voortgaande ontwikkeling wordt door zulke conflicten zoo al niet weggenomen, maar dan toch zeer belemmerd. – Niets doet meer schade aan de drang tot voortgaande ontwikkeling dan de dupeering van de ontwikkelingsdrang, die men in dergelijke conflicten beleeft. Men wordt er met den dag conservatiever van’.
- Het is volgens Baarda niet juist – ook uit pastoraal oogpunt – het gezag van de Schrift onverbiddelijk te koppelen met historische betrouwbaarheid en autoriteit. Volgens Arntzen betreffen de moeilijkheden slechts details. In grote treken zijn de evangeliën historisch betrouwbaar. Arntzen uit de zorg dat een beginsel wordt ingevoerd, ‘waardoor ook geschiedenissen, die van fundamenteel belang zijn voor ons geloof, op losse schroeven worden gezet (schepping, zondeval, wonderen van Jezus)’.
- De verschuivingen treden in het GTT op verschillende manier aan het licht, bijvoorbeeld in de recensies. Vroeger werd bij de beoordeling vaak de maatstaf van de confessionaliteit gehanteerd. Dat wordt nu veel minder. En de themata van de artikelen waaieren breed uit. De horizont wordt wijder.
- Een niet gelovige professor zei in 1909: ‘Wij ook, als ongeloovigen, zullen moeten toegeven, dat de verzwakking van het godsdienstige leven in onze tijd zeer ernstige gevaren met zich medebrengt’.
Oude Testament in het GTT
- De Schriftbeschouwing kwam in grote lijnen hierop neer. Dat het Woord van God in de Schrift te vinden zou zijn, maar daarmee niet samenvalt, is een opvatting die gereformeerden graag aan de ‘ethischen’ toeschreven maar zelf afwezen. De Schrift is betrouwbaar in alles waarover zij zich uitlaat. Zo kon bijvoorbeeld het bestaan van zoiets als een ‘bijbels wereldbeeld’ ronduit worden bestreden. Zo’n gedateerd wereldbeeld zou hebben betekend dat bepaalde mededelingen in de Bijbel niet normatief zijn. Deze benadering stimuleerde niet tot ernstige kennisname van de culturen van het oude Nabije Oosten waartussen Israël leefde.
- J. RIDDERBOS, die van 1913 tot 1960 redactielid van het GTT was (een zittingsduur waaraan niemand anders heeft kunnen tippen) wijdde vooral veel aandacht aan het bijbels kerugma, met name aan thema’s uit de profetische literatuur. Hoewel zijn Schriftopvatting die van Aalders maar weinig ontliep, had hij wel iets meer oog voor de betekenis van het eigen ontstaansmilieu van de Bijbel en daarmee voor de zogenaamde menselijke factor.
- G.Ch. AALDERS werd volgens sommigen aangesteld om C. van Gelderen te bewaken, die zelf echter blij was met zijn komst en die ook later op kritieke momenten steeds solidair bleef met het kerkelijk milieu waaruit hij was voortgekomen. Aalders heeft de besluiten van Assen steeds met overtuiging verdedigd. Onverschrokken richtte hij gedurende vele jaren zijn apologetische pijlen op de Wellhausiaanse bronnentheorie. Al achtte hij de Pentateuch niet van Mozes zelf afkomstig, wel vond hij daarin veel Mozaïsch materiaal. Waar het Nieuwe Testament zich duidelijk uitspreek over het auteurschap van een oudtestamentisch citaat, beschouwde hij dit als gezaghebbende historische informatie. Vergeleken met Van Gelderen, J. Ridderbos en A. Noordtzij was hij behoudender.
- N.H. RIDDERBOS onderscheidde zich van zijn voorganger Aalders door veel meer aandacht te schenken aan wat Israël deelde met zijn omgeving, om zo het ‘eigene’ van het Oude Testament des te beter te doen uitkomen. Voor veel gereformeerden in de jaren vijftig was zijn ‘kader-theorie’ (het schema van 6+1 dagen in Gen. 1 is slechts een literair kader) een verademing. Aan vragen van historische betrouwbaarheid waagde hij zich slechts met tegenzin. Het psalmenonderzoek werd zijn meest geliefde specialisme en bood hem in dit opzicht een ‘gevarenvrije zone’. Ridderbos verdedigd de stelling: ‘Omdat de Oudtestamentische openbaring een historisch karakter draagt, is het geen onschuldig bedrijf de historische juistheid van het O.T. in twijfel te trekken’. Durf en schroom streden bij deze Ridderbos nogal eens om de voorrang.
- Zijn opvolger J.L. KOOLE was vindingrijker dan de voorzichtige Ridderbos, die nooit meer wilde zeggen dan hij kon verantwoorden. Koole had er een olijk plezier in zo nu en dan een originele gedachte te lanceren. Hij was het, die van de GTT-oudtestamentici het meeste tot het gereformeerde afscheid van de Asser Schriftuitleg heeft bijgedragen (in 1967 was dit op synodaal niveau een feit). Koole gaat de oud-oosterse parallellen na en benadrukte de grote verschillen met de bijbelse oorsprongsverhalen. Hij concludeert ‘dat de geschiedenis van paradijs en zondevel symbolische trekken bevatten kan’. Volgens hem hangt de mate van betrouwbaarheid van een bijbels geschiedverhaal af van het genre.
- Zoals gezegd hief men in 1967 de binding aan de leeruitspraak van Assen op. Toen daarop bleek dat H.M. KUITERT niet slechts de zintuiglijke waarneembaarheid maar ook de historiciteit van de zondeval ontkende, constateerde de synode van Sneek, dat dit niet strookte met de uitspraak van haar voorgangster. Toch werd van correctieve maatregelen afgezien, omdat in gesprekken met Kuitert geen meningsverschil was gebleken over de goedheid van Gods schepping en de menselijke ongehoorzaamheid als antwoord daarop.
- In 1970 werd W.H. Gispen aan de VU opgevolgd door M.J. MULDER. Groter verschil in wetenschappelijke stijl dan tussen die twee kan men zich binnen één faculteit moeilijk voorstellen. Waar de één maar zelden een congres bezocht, koos de ander bij voorkeur het internationale forum voor de vruchten van zijn onderzoek. Met Mulder zet een trend in die eerst niet bepaald was aangemoedigd: internationalisering. Met Gispens Schriftbeschouwing had Mulder nog maar weinig innerlijke affiniteit.
- Henk Leene (auteur van dit artikel) zegt: ‘Ik vraag me af of Aalders en Gispen bij deze verdwaalde nazaten [hun opvolgers en de opvolgers daarvan] nog bekende trekken ontwaard zouden hebben, of liever: ik weet haast wel zeker van niet. De afstand is zo adembenemend, dat één artikel van twintig pagina’s hem nauwelijks kan overbruggen’. Toch kan men kan zich volgens Leene ‘verwant voelen met iemand en met zijn wereld, ook zonder zich verwant te voelen met zijn ideeën. Men kan de vragen van ouders en grootouders herkennen, zonder de meeste antwoorden nog te kunnen delen’. De auteur bekent zelf ook ‘waarschijnlijk afscheid [te hebben] genomen’ van de gereformeerde Schriftbeschouwing. Ook hij ziet geen tegengestelde belangen tussen de kerk en een historisch-kritische exegese.
Nieuwe Testament in het GTT
- Abraham Kuyper hield in 1881 een rede onder de titel De hedendaagsche Schriftcritiek in haar bedenkelijke strekking voor de gemeente des levenden Gods. De Schriftkritiek heeft volgens hem een verderfelijke invloed op de gemeente. Hij noemt daarvoor drie redenen: (1) De afbraak van de scheidsmuur tussen heilig en profaan: de Schriftkritiek heft de theologie van de gemeente op. (2) Ondermijning van het gezag van de Schrift: de Schriftkritiek ontrooft de gemeente haar Bijbel. De Heilige Geest heeft dan wel alle verworvenheden van de individuele bijbelschrijvers in Zijn dienst gesteld, echter niet Mozes en Johannes spreekt tot ons, maar God Zelf. ‘Geen gebeuzel over den onderscheiden stijl der schrijvers of het eigen karakter van hun gedachtenkring en wat dies meer zij, behoeft ons dus op te houden’. Kuyper zegt zich niet te keren tegen de ‘historisch-critische inleidingsstudieën’ als zodanig, maar alleen tegen de uitwassen daarvan. De apologetiek heeft de taak de ‘schijnbare tegenstellingen’ van de Heilige Schrift in hun wezenlijke harmonie te doen uitkomen. Mochten er nog cruses interpretum overblijven, dan kiest Kuyper ervoor liever de eigen onwetendheid te belijden en onbevredigd van dit vraagstuk weg te gaan dan de onfeilbaarheid der Schriften te verwerpen. (3) Intellectueel clericalisme: de Schriftkritiek randt het recht van de gemeente op de vrijheid in Christus aan en werpt haar in de armen van ‘het ergerlijkst, wijl intellectueel, clericalisme’.
- In zijn Schriftbeschouwing is het Kuyper om absolute zekerheid te doen. Opvallend is dat Kuyper over deze gemeente niet spreekt als over een mondige, maar over een ‘arme gemeente’, die ‘her- en derwaarts dolen’, over een ‘gejaagde ziel’, die ‘dorst naar zekerheid’. C. Augustijn denkt dat Kuyper zelf ‘een flink stuk angst voor de problematiek als zodanig’ had en zich daarom heeft ‘teruggetrokken op een pasklaar systeem’.
- Voor F.W. GROSHEIDE (1880-1972) geldt aan de ene kant een apriori van dogmatisch karakter, aan de andere kant wil hij de vrijheid van de exegese in ere houden. ‘We staan in de Schrift voor een wondere twee-eenheid, een Goddelijken en een menschelijken factor’. Ook hier sluit hij de mogelijkheid van kritiek niet geheel uit. Wat hun inhoud betreft, zijn de nieuwtestamentische geschriften onfeilbaar. In zaken van wetenschappelijke aard is wel kritiek mogelijk, omdat de Schrift zich hier op het gewone menselijke standpunt plaatst. De Schrift is geen wetenschappelijk handboek, maar wil de weg der zaligheid prediken. Inspiratie betekent niet onfeilbaar onderwijs in taal- of sterrenkunde. Anders is het wanneer het om de historie gaat. Tegenstrijdigheden in de Schrift rekent Grosheide weliswaar tot die punten waarbij kritiek kan worden geoefend, maar tegelijk zegt volgens hem het dogmatisch apriori dat nooit de ene plaats met de andere strijden kan. In moeilijke gevallen geldt het ‘non liquet’ (het blijft onopgelost).
- Omdat de openbaring van Gods Woord niet alleen de inhoud, maar ook de vorm betreft, staat kritiek ten opzichte hiervan niet vrij. Dat wil niet zeggen dat onze kritiek hier helemaal moet zwijgen. In 1916 rekent Grosheide taal, dispositie, wijze van redenering, beelden, enz. nog tot de menselijke factor; in 1929 al heel wat minder (mogelijk heeft de synode van Assen in 1926 daarbij een rol gespeeld). Bij de vraag naar de authenticiteit van een geschrift kan alleen van kritisch onderzoek sprake zijn voorzover de naam van de schrijver niet in een tekstkrititisch onaanvechtbaar gedeelte vermeld wordt. De meeste ruimte voor kritiek is er bij de overlevering van de tekst.
- Voor Grosheide staat vast dat de waarheid Gods in alle tijden dezelfde is. Het probleem van de tijdgebondenheid van de bijbelse boodschap lijkt voor hem niet te bestaan. Het eigen karakter van de Schriftuitleg brengt met zich mee dat een goede uitleg alleen mogelijk is door een bijzondere verlichting van de Heilige Geest.
- Volgens Grosheide moet de wetenschap enerzijds haar uitgangspunt in het geloof hebben, maar kan zij zich anderzijds niet bewegen op een terrein vol met bordjes: verboden toegang. ‘Men kan niet met een methode beginnen, doch halverwege ophouden. Wie principieel en konsekwent is, staat sterk, wie halfslachtig is, heeft het aan zichzelf te wijten, als straks zijn leerlingen of misschien ook hij zelf, toch het verboden terrein betreden en in het andere uiterste vallen’. Dat waren profetische woorden: zijn leerlingen en opvolgers gingen onvermijdelijk langzaam maar zeker het verboden terrein verkennen!


























































































































































































