n.a.v. E.P. Meijering, Een eeuw denken over christelijk geloven. Van Roessingh via Schilder tot Kuitert, Kampen 1999
H. Berkhof (1914-1995)
- Berkhof is moeilijk te plaatsen; hij heeft namelijk een grote ontwikkeling te zien gegeven. Berkhof heeft in zijn ontwikkeling altijd bijgestuurd, maar niet ineens resoluut het roer omgegooid. Hij kwam uit een mild confessioneel gezin. Zelfs is hij nooit confessioneel geweest, maar begon hij aan de rechterkant van de ethische theologie. Hij blijkt in die jaren ‘goed rechtzinnig’ te zijn. Zijn theologische sympathieën liggen bij de grote voorvechter van de orthodoxie in de 4e eeuw, Athanasisus van Alexandrië.
- In de winter van 1940/41 schreef hij in de gevangenis zijn Geschiedenis der Kerk, die vele drukken zou beleven. Hier wordt kerk- en vooral dogmengeschiedenis in orthodox hervormde geest beoefend, waarbij soms harde oordelen over andere stromingen worden geveld. De theologie sinds de Verlichting wordt als een bewuste afwijking van de christelijke waarheid voorgesteld, en de theologie van Karl Barth als een meer dan noodzakelijke terugkeer naar de theologie van de Hervormers. In de zesde druk (1955) worden de oordelen afgezwakt en wordt een en ander niet langer zwart-wit getekend, maar in substantie verandert er maar heel weinig.
- In de oorlog schreef hij ook De kerk en de keizer. Hij voert een pleidooi voor tolerantie en vrijheid, maar ook voor theocratie, die inhoudt dat de overheid in haar ambtelijk handelen is gebonden aan het Woord van God. Al spoedig na de oorlog zal Berkhof deze theocratische visie laten vallen, maar het spreken van de kerken tot de overheid heeft hem altijd na aan het hart gelegen.
- De toenadering tussen de ‘midden-orthodoxie’ (een door Berkhof bedachte term) en de rechtse vrijzinnigheid was na de oorlog een belangrijk gegeven in de Ned.Herv.Kerk. In 1952 verschijnt een brochure van hem, die opzien baarde en irritatie wekte: De crisis der middenorthodoxie. Hier werd het theologische midden in de kerk, en dat was vooral de oude ethische richting, die zich na de oorlog had opgeheven, een richting genoemd en kreeg die meteen ook een naam. Dat was het laatste waaraan men in die kringen behoefte had, want men waande zich als verkondigers van ‘het bijbelse kerygma’ boven de richtigen- en partijenstrijd in de kerk verheven. Berkhof staat in dit geschrift iets voor ogen dat ook voor Van Ruler erg belangrijk was: het betrekken van de Gereformeerde Bond bij het proces van kerkelijke vernieuwing. Berkhof constateert in eigen kring oppervlakkigheid in de verkondiging van de genade, waarbij men de toe-eigening van het heil in het individuele leven verwaarloost.
- Een handreiking naar links was zijn boek Christus en de machten. De machten, die door Christus zijn ontwapend, zijn volgens Berkhof geen grootheden die in de dogmatiek moeten worden besproken, maar zijn de machten die de maatschappij kunnen beheersen. Op grond hiervan voert hij een pleidooi voor structuur-veranderingen. En hij stelt zich afwijzend tegenover de atoombewapening (en dus de NAVO).
- In 1958 verschijnt Christus de zin der geschiedenis, waarvan hij zich later enigszins distantieerde wegens de combinatie van biblicisme en speculatie. Hij is van mening dat er uit de Bijbel een duidelijke visie op de geschiedenis kan worden ontwikkeld. Hij kent een grote betekenis toe aan de zending als een handelen van bevrijden en seculariseren. Ook komt hij tot een positieve waardering van de Franse Revolutie en van de Verlichting, zij het alleen op het praktische vlak. Het gaat hem om de gekruisigde en opgestane Heere van de geschiedenis, niet om de eeuwige Zoon die mens werd.
- De kritische bijbelwetenschap heeft er altijd plezier in gehad te laten zien dat de kerkelijke dogmatiek, die pretendeert op de Heilige Schrift gebaseerd te zijn, in feite met leerstellingen komt, die strijdig zijn met de Bijbel. Dit gebeurt vaak op een simplistische manier. Op een behoedzame, maar toch ingrijpende manier zal Berkhof hetzelfde gaan doen. Berkhof neemt steeds meer afstand van het klassieke dogma van de kerk, waarvoor hij in het begin van zin theologische ontwikkeling een pleidooi had gevoerd. Hij gaat liever spreken over de ‘verkiezende God’ dan over ‘het stuk der verkiezing’, liever over ‘de Vleesgewordene’ dan over ‘de vleeswording’, liever over ‘het komende Koninkrijk’ dan over ‘de laatste dingen’.
- In zijn boek De leer van de Heilige Geest wil hij het misverstand, dat we in deze leer te maken hebben met drie goddelijke personen, uit de weg ruimen. De ene God gaat zelf in de geschiedenis in en wordt erdoor verrijkt. Hij spreekt openlijk uit dat de traditionele leer de gemeenteleden meer verwart dan helpt. Op deze weg zal Berkhof doorgaan.
- Berkhof komt de radicale maatschappij-critici in de kerk opmerkelijk ver tegemoet. Wel laat hij het waarschuwende geluid horen dat dit alles niet zal kunnen zonder een innerlijk leven met God.
- Op de ‘God-is-dood-theologie’ reageren sommige barthianen met een zeker plezier, omdat men van mening was dat de kritiek op de religie, die daarin besloten lag, juist de weg voor de verkondiging van het God van Israël vrijmaakt. Berkhof is in dit opzicht veel genuanceerder. Barths visie op ‘Religion als Unglaube’ heeft hij nooit zoner meer geaccepteerd. Hij beluistert in de religie een aangesproken worden van de mens door God.
- In 1967 verschijnt Gegronde Verwachting. Schets van een christelijke toekomstleer. Berkhof is optimistisch wat betreft de technologische vooruitgang, zo optimistisch dat hij toen verwachtte dat de gemiddelde leeftijd van de mens tegen het einde van de 20e eeuw zou kunnen worden opgevoerd tot 120 jaar. Berkhofs eschatologie is duidelijk verticaal en zijn verwachting van Gods toekomst heeft uiteindelijk weinig te maken met maatschappelijke veranderingen. In dit boek is belangrijk dat hij op het einde ervan blijk geeft van een geheel andere kijk op de theologie sinds de Verlichting.
- Tot aan het verschijnen van zijn grote dogmatiek had Berkhof meestal betrekkelijk dunne boeken geschreven. Christelijk Geloof uit 1974 was een ‘pil’ van zeshonderd bladzijden. In grote letters geeft hij op een heldere manier zijn eigen gedachten over de verschillende onderwerpen weer, en in de kleine volgen een brede bijbels-theologische fundering en een uitvoerig gesprek met de theologische traditie. Hij buigt dus in dit boek een gewoonte om. Allen aan de uiterste rechter- en linkerkant reageerde men zonder meer afwijzend. Zelf zag hij dit boek eerder als een samenvatting en uitwerking van dat als een breuk met zijn theologische verleden.
- Zijn autoriteiten zijn de Schrift en de traditie. Het gezag van de Schrift kan volgens Berkhof alleen indirect zijn. De Schrift verwijst ons met gezag naar openbaring, maar vervolgens beoordelen wij zelf op gezag van wat wij als openbaring hebben verstaan de getuigenissen van de Schrift, en daarna groeit er een wisselwerking tussen die twee.
- Twee aspecten van Berkhofs godsleer hebben bijzonder de aandacht getrokken, namelijk zijn gedachten over Gods weerloze overmacht en die over Gods veranderbare trouw. Gods almacht blijkt al direct bij de schepping. Vervolgens nuanceert Berkhof dit wel. Gods onmacht is eigenlijk Gods overmacht. God heeft in de almacht van Zijn liefde besloten om daarbinnen ruimte te maken voor de mens en zijn macht. God besloot macht te verliezen om gemeenschap te winnen. God wil dus tijdelijk onmachtig worden, omdat Hij weet dat uiteindelijk Zijn overmacht zal winnen en Hij almachtig zal blijken te zijn.
- In de klassieke theologie heeft men de onveranderlijkheid van God sterk geaccentueerd. De kerkvaders deden dit om de ware God van de wispelturige goden van de Olympus te onderscheiden. De onveranderlijkheid leverde dan wel de moeilijkheid op dat God in de geschiedenis eigenlijk niets kon doen, zeker niets nieuws, omdat Hij dan juist wel veranderlijk lijkt te zijn. Het is volgens Berkhof godslasterlijk om te zeggen dat de geschiedenis God Zelf onbewogen laat, maar ook dat God met ons onberekenbaar aan de geschiedenis is uitgeleverd. God heeft Zich in Zijn soevereine liefde veranderlijk gemaakt en besloten samen met ons door een proces heen te gaan, dat ook godsverduistering en godverlatenheid insluit. In de loop van dit historische proces wordt ook God Zelf verrijkt.
- Berkhofs nadruk op de geschiedenis, die de God van Israël met de wereld wil aangaan, leidt ook tot nieuwe accenten en zelfs tot wezenlijke veranderingen in de christologie. Hij heeft het niet meer over bovenmenselijke pretenties van Jezus, wel over heel bijzondere pretenties die Hij als mens had. De titel ‘Zoon van God’ wordt tegen oudtestamentische achtergrond geplaatst. Niet alleen de maagdelijke geboorte wordt door Berkhof terzijde geschoven, veel belangrijker is dat hij met de notie van een preëxistentie weinig meer kan beginnen. Jezus is voor hem niet de uit de hemel neergedaalde Zoon van God, maar de door God op de aarde geschapen zoon. Over Jezus’ opstanding spreekt Berkhof wel vrij concreet.
- Berkhofs visie op de persoon van Jezus leidt uiteraard tot een andere beoordeling van het vroegkerkelijke dogma. Jezus als één persoon in twee naturen wordt wel niet als ‘Grieks denken’ terzijde geschoven, maar er moet wel worden gezegd dat dit dogma niets oplost. Berkhofs kritiek op de traditionele leer van de triniteit is even ingrijpend. Het onderscheid tussen wezens- en openbaringstriniteit komt verregaand te vervallen, doordat de drie-eenheid als een historisch proces wordt opgevat, waarin de Vader de goddelijke partner is, de Zoon de menselijke representant en de Geest de band tussen beiden is.
- Uit zijn in 1985 verschenen boek 200 Jahre Theoogie. Ein Reisebericht blijkt zijn oecumenische gezindheid. Auteurs als Schleiermacher en Ritschl, over wie hij zich eerder uiterst negatief had geuit – de theologie van Schleiermacher had volgens hem nauwelijks nog iets met het christelijk geloof te maken – worden nu met de grootste sympathie beschreven en als in hoge mate actueel bestempeld.
- Berkhofs theologie geeft een ontwikkeling te zien, waarin het begin en het einde sterk van elkaar verschillen. Of zijn persoonlijke geloof erg is veranderd, moet evenwel worden betwijfeld. Hij had een zeer persoonlijk geloof in God, wat zich uitte in een sterk gebedsleven.
H.M. Kuitert (1924)
- Een enkele keer maakte de nieuwsdienst van het ANP gewag van de inhoud van zijn op die dag verschenen boek.
- Hij heeft zich altijd de vraag gesteld, waar vernieuwing overgaat in totale verandering.
- Het brede beroep op de Bijbel (gemakshalve afgekort tot HS, Heilige Schrift) in zijn proefschrift over de mensvormigheid Gods doet erg traditioneel aan. Toch kunnen we hierin al de oorsprong vinden van zijn afwijkende standpunten.
- Kuiterts betoog is dat de Bijbel bedoelt te zeggen dat God als de levende God in Zichzelf menselijk wil zijn. Dit betekent dat God geen wezen heeft los van Zijn openbaring. In het vroegkerkelijke christologische dogma wordt volgens hem de goddelijke natuur te zeer afgedacht van het bondgenoot-zijn Gods. De eeuwige en almachtige God leek volgens dit proefschrift op te gaan in Zijn relatie tot deze wereld.
- Kuitert neemt zijn niet-gereformeerde gesprekspartners serieus, twijfelt niet aan de integriteit, ook niet aan de geloofsintegriteit van zijn tegenstanders. Hij wil de moderne theologie niet verklaren uit de behoefte aan Godloochening.
- Kuitert zegt dat een tijdloze dogmatiek niet kan worden geschreven. Hij kiest zijn vertrekpunt in de traditie, het overgeleverde geloofsgoed, die om interpretatie vraagt. Dat is dus iets anders dan het vertrekpunt in de Heilige Schrift, waarin de geloofsinhoud te vinden is. Tegenover de orthodox protestantse kring, waartoe hij zich uitdrukkelijk zegt te rekenen (we spreken nu over de jaren 60), wil hij de historische bepaaldheid van dit bijbelse getuigenis duidelijk accentueren. Wie dit ontkent, die miskent de beperktheid van menselijke formuleringen, door die ineens in geval van bijbelschrijvers eeuwigheidswaarde toe te kennen.
- De vaste kern van het getuigenis van de Schriften kan door het kritische onderzoek noch worden bewezen noch worden ondermijnd.
- Dogmatische formuleringen kunnen alleen maar voorlopig zijn; de waarheid is nog onderweg naar haar overwinning. Deze waarheid is in Jezus Christus zelf.
- Geleidelijk volgt de breuk met de gereformeerde orthodoxie. Die voltrekt zich vooral op het terrein van de bijbelkritiek.
- Kuitert breekt ook met het barthianisme, want het christendom is ook een godsdienst volgens hem. Godsdienst is een menselijke behoefte aan zingeving en kan daarom niet door de kritiek van Feuerbach en Marx worden geraakt. De mens zal altijd godsdienstig blijven. Daarom zal christendom niet verdwijnen, zoals de godsdienst in het algemeen zal blijven. Godsdienstgen geven met al hun verhalen, mythen en riten antwoord op de vraag hoe het zit met het geheel dat we niet kunnen overzien. Vrijzinnigen wezen Kuitert er vriendelijk op dat deze kijk op wat geloof en godsdienst is, in de vrijzinnigheid allang gangbaar was. Ook maakt Kuitert relativerende opmerkingen over het specifiek christelijke in het ethische handelen. In zijn analyse van wat godsdienst is en waar godsdienst goed voor is maakt Kuitert gebruik van de menswetenschappen als de sociologie en de psychologie. Voor het besef van Barth kan de menswetenschap juist inhoudelijk niet meepraten in de theologie. Kuitert begint nu ook over openbaring veel meer ‘van beneden’ te praten.
- In zijn boek Wat heet geloven? licht hij een term toe die hem in zijn verdere publicaties erg dierbaar zal zijn: zoekontwerp. Wat is zijn bedoeling met deze term? Een ontwerp van God en Zijn heil kan niet zonder menselijke ervaring zijn ontstaan en kan ook niet voortbestaan zonder bevestiging vanuit de menselijke ervaring. Is dit niet puur subjectivisme? Kuitert vindt dit subjectiviteit, en dat is iets anders. De uitspraken over ‘boven’ beginnen op grond van wat men ‘beneden’ ervaart, maar dit ervaren kan worden uitgetild boven het niveau van het ‘ik vind’, en zo kan men tot ‘is-uitspraken’ in verband met God komen. Kuitert voert dus geen pleidooi voor een kerk waarin ieder dat gelooft wat hem of haar toevallig waar lijkt te zijn, maar hij bepleit dat ook het christendom zich als een historisch gegroeide godsdienst verstaat, die niet bang hoeft te zijn door de geschiedenis te worden achterhaald. De God van het christelijke zoekontwerp is een God die daden in de geschiedenis stelt, door middel waarvan uiteindelijk Zijn gelaat aan ons zal verschijnen. De christen mag op grond hiervan hopen dat God andere zoekontwerpen met Zijn daden zal achterhalen.
- Kuitert nam zitting in door de overheid ingestelde commissies die ethische vraagstukken bestudeerden, bijvoorbeeld dat van de euthanasie.
- Kuitert bepleitte op een synode voor erkenning van de tegenhanger van het IKV, het ICTO (Interkerkelijk Comité voor tweezijdige ontwapening). Hij gaf er zo blijk van even afkerig te zijn van dwinglandij op ethisch gebied als op dogmatisch terrein. Ter rechterzijde kon hij al niet meer op veel sympathie rekenen, nu verspeelde hij ook de vriendschap met de linkerkant. ‘Kuitert behoort tot die theologen, die ter wille van wat zij als de waarheid zien een isolement niet schuwen’. Volgens hem kan de waarde van een geloof niet worden afgemeten aan de maatschappelijke inbreng ervan. Ook betwijfelt hij of een kerk, die zich links uit, in linkse kringen ook maar één bekeerling zal maken. Hij constateert dat de kerken niet over de deskundigheid beschikking om zinnige uitspraken over politieke vaagstukken te doen. Wat bijzonder hard aankwam was zijn constatering dat de christenen met hun levensstijl hun stelling, dat geloven solidariteit met de armen en onderdrukten is, helemaal niet waarmaken. Ook laat hij in die jaren kritische geluiden horen over het ‘politieke’ bidden van de christenen, liefst met de televisiecamera’s in de buurt. Vier jaar na Kuiterts boek Alles is politiek, maar politiek is niet alles viel de ‘Muur’ en verstomde het politieke spreken der kerken verregaand. H. Berkhof, die zelf aan het politieke spreken van de kerken had meegedaan, noemde dit boek ‘profetisch’.
- De drie in de jaren 90 verschenen boeken Het algemeen betwijfeld christelijk geloof, Zeker weten en Jezus hadden de bedoeling het overgeleverde geloof te herzien. Volgens velen was hier sprake van een reductie-theologie. Kuitert ontkent dat hij reducerend te werk gaat. Hij heeft het over concentratie. Kuitert vergelijkt de situatie van het huidige christendom met die van een verhuizing, waarbij men het nieuwe huis op een andere manier gaat inrichten. In deze boeken komt de uitdrukking ‘hier moeten we van af’ nog wel eens voor. Kuitert kiest zijn vertrekpunt in de traditie; de vanzelfsprekende continuïteit tussen de Bijbel en de traditie is verdwenen. Vooral in zijn boek Zeker weten hamert hij erop dat het christendom zich niet langer exclusief mag opstellen, maar moet erkennen een van de drie theïstische godsdiensten te zijn en het open gesprek met de andere twee moet aangaan, waarbij niet van te voren vaststaat wie er gelijk heeft.
- Kuitert is van mening dat een hoop op een betere wereld, die op het menselijke gedrag is gebaseerd, bedrogen uit zal komen. Zonder een hoop op een eeuwig leven kan de christen het geloof in God niet volhouden. Maar God is niet alleen liefde, vandaar dat er ook een oordeel zal zijn, waarin God nog rekeningen te vereffenen heeft. Als dat er niet is, aldus Kuitert met een traditioneel standpunt, dan heeft de beul een eeuwige voorsprong op zijn onschuldige slachtoffer. Kuitert bepleit in dit verband geen eeuwige hel, maar nadat de boosdoeners hun straf hebben ontvangen verdwijnen zij in de eeuwige dood.
- Er is continuïteit en discontinuïteit tussen de jonge en de oude Kuitert op het gebied van de godsleer. Zijn leven lang heeft hij betoogd dat God ook een werkelijkheid buiten ons moet zijn, wil het geloof in God meer dan een illusie zijn. Hij gaat wel meer de transcendentie van God accentueren. Na de dood bewerkt God het wonder dat Hij aan Zijn schepsel Zijn eeuwige vriendschap wil betuigen, zoals Kuitert het graag uitdrukt.
- Kuitert geeft meermalen te kennen geen liefhebber te zijn van de uitdrukking ‘de Joods-christelijke traditie’ en adviseert om de joden met rust te laten.
- Kuiterts boek over Jezus is zijn meest liberale boek. Jezus mag niet in de plaats komen van God. Kuitert is heel kritisch over het trinitarische en christologische dogma; hij houdt die voor niet-theologen onbegrijpelijk geworden speculatie. Bovendien is de leer van de godheid van Christus volgens hem een bedreiging voor het geloof in de ene God. Had hij eerder de leer van de verzoening door Christus al de zure appel van het christendom genoemd, die niet moet worden weggegooid, maar waar we doorheen moeten willen bijten om bij het door God geschonken heil uit te komen, dit betoogt hij in zijn boek over Jezus opnieuw uitvoerig. Vrijzinnigen hadden geen ongelijk toen ze constateerden dat hieruit bleek dat Kuitert niet één der hunnen was geworden.
- ‘Veel orthodox opgevoede en daarna “modern” geworden kerkelijk gereformeerden zullen hem dankbaar zijn voor het feit dat hij hen bij het christelijk geloof wil houden. Zijn beeldenstorm had en heeft een positief doel’.